Een eigentijds therapeutisch kader
“Belangrijker dan het vinden van de Waarheid met grote W, Interactionele Vormgeving (IV) is een eigentijds therapeutisch kader. Het past in een tijdsgeest waarin de mens zich niet langer wil vastpinnen op één bepaalde verklaring van het menselijke functioneren. Vele therapeuten hebben de voorbije eeuw hun waarheid verkondigd. Ondertussen begint het besef dat ‘De Waarheid’ niet bestaat meer en meer door te dringen in onze Westerse wereld. Al die stromingen belichten facetten van wat ‘De Waarheid’ zou kunnen zijn. Immanuel Kant zei in de 18de eeuw dat je ‘das Ding an sich’ niet kan kennen. Hij zag het menselijk bewustzijn als een actief vormende instantie. Het werkt zelf mee aan de wijze waarop we onze wereld ervaren en hoe deze aan ons verschijnt. Kant stelt dat niet alleen ons bewustzijn zich naar de dingen richt. De dingen richten zich ook naar ons bewustzijn. Dit is de beruchte ‘Copernicaanse wending’ in het probleem van de menselijke kennis. Niettegenstaande we beseffen dat we niet écht kunnen ‘weten’, kunnen we niet verantwoord therapeutisch gaan werken zonder een helder kader.
Er is een wil, een waarnemen en een handelen. En deze functies zijn met elkaar in interactie: gericht waarnemen (1), gericht handelen (2) en gebeuren (3). Dit alles speelt zich af in een bepaalde context. De ‘ingang’ van de cliënt
“Wat er gebeuren moet, komt naar voren IV gaat ervan uit dat mensen in therapie komen omdat ze op de één of andere manier in hun leven zijn vastgelopen en zelf niet meer zien hoe ze er moeten uitgeraken. De interactie driehoek biedt daarin vele mogelijkheden om terug in beweging te komen. Cliënten worden allereerst zoveel mogelijk aanvaard in hun manier van zijn: de ene zit vooral in de betekenisgeving, de andere in zijn lichaam of in zijn gevoel en nog weer een andere vooral in de actie. We noemen dit de ‘ingang’ van de cliënt. Het is het spoor dat hij het best ontwikkeld heeft. In aanvang gaan we dit spoor met de cliënt rustig verkennen. Mettertijd nodigen we de cliënt uit om ook eens een ander spoor te bewandelen. Iemand die bijvoorbeeld voortdurend in zijn hoofd zit en maar niet uit zijn eigen verward denken geraakt, zullen we uitnodigen contact te maken met zijn lichaam door bijvoorbeeld deze vraag te stellen: “Waar in jouw lichaam voel je die verwardheid?” De cliënt wordt aldus uitgenodigd zijn vertrouwde spoor te verlaten en stil te staan bij hoe dit voor hem voelt. Het kan zijn dat de cliënt zegt dat hij niks voelt of dat hij dit een gekke vraag vindt. Deze reactie kan wijzen op weerstand om naar het gebeuren te gaan. Je zou dan eventueel nog kunnen vragen: “Hoe is dat voor jou, als je niks voelt?” Misschien reageert de cliënt daar heel neutraal op en zegt hij dat hij dat niet als probleem ervaart. Maar het zou ook kunnen dat er plots kwaadheid komt of verdriet. Een draaiende driehoekDe driehoek komt in beweging. Bij IV spreekt men over het doen draaien van de driehoek. Stel dat deze man vanuit de verwarring en het vele denkwerk komt tot een bepaald gevoel dat daarachter zit. Bijvoorbeeld kwaadheid. Dan kun je vragen wat hem precies kwaad maakt. “Ik ben kwaad op mijn baas, ik voel me door hem gebruikt!” is een mogelijke reactie van deze cliënt. Als je dan tegen de cliënt zou zeggen: “Stel dat jouw baas hier in deze stoel zat…” en hem vervolgens zou vragen: “Wat zou je tegen hem willen zeggen?” komt hij misschien ook tot gericht gedrag. Hij gaat iets doen met zijn gedachten en gevoel; hij brengt ze tot uiting in contact. Er wordt iets rond gemaakt, wat ervoor zorgt dat de driehoek gaat draaien. Dit uiten in contact, kan opnieuw gebeuren opleveren met nieuwe betekenissen. Zo komt er steeds meer beweging in de driehoek. Laten ‘zijn’ wat ‘is’
“Impasse… De onontkoombaarheid van de dood De cliënt in beweging brengen door hem te laten stilstaan is een paradox waar IV veelvuldig gebruik van maakt. IV steunt hiervoor op de expertise van een aantal therapeutische stromingen waaronder gestalt en client-centered therapie en op de existentiefilosofie. In de gestalttherapie wordt de cliënt naar de impasse of creatieve leegte geleid. Als je de confrontatie met deze leegte aangaat creëer je voor jezelf de ruimte om iets nieuws te laten geboren worden. In de client-centered therapie gaat men lichaamssensatie, emotie, levenssituatie en symbolisering met elkaar verbinden om zo te komen tot wat ze de ‘felt sense’ noemen of ‘volledig gevoelde betekenis’. De existentialisten (Jaspers, Heidegger, Sartre…) richtten hun aandacht op de uniciteit van het individu. Zij beseften meer dan hun voorgangers de grenzen van de wetenschappelijk objectieve kennis. Terwijl de fenomenologie de wereld bekijkt zoals deze aan ons verschijnt, gaat het existentialisme het menselijk bestaan als zodanig, zoals het beleefd wordt, centraal stellen. Dit is wat wij ook in therapie doen. Wij benaderen de cliënt als een uniek wezen dat niet samenvalt met één of andere vooraf gevonden theorie. We behoeden ons de cliënt in een bepaalde richting te duwen. Eerder zullen we pogen ‘de richting in de cliënt’ te bevrijden. Een valkuil bestaat erin dat wanneer een cliënt bijvoorbeeld met zijn machteloosheid komt, dat we snel gaan zoeken met hem hoe hij daar van af kan geraken. IV gaat ervan uit dat als we deze machteloosheid ‘bestaansrecht’ geven, door deze erkenning te geven, de cliënt zelf een weg vindt om daar mee om te gaan. En soms duidelijk sturendAlle theoretische kaders zijn nuttig als te toetsen vormen. Vormen die kunnen worden vastgenomen en losgelaten. We vermijden zo dat deze vormen ‘stigmata’ worden. Dit betekent dat je als therapeut een uitgebreide kennis moet hebben van zoveel mogelijk kaders die dienst kunnen doen als tijdelijke vorm. Dit gaat dan van de DSM-IV tot aan het Boeddhisme, van de systeemtheorie tot de archetypische psychologie van Jung, van NLP tot bio-energetica, van gestalt tot psychosynthese, van de contextuele therapie tot de cognitieve gedragstherapie… Vormen komen, in wisselwerking met de cliënt, op de voorgrond en verdwijnen weer naar de achtergrond. De wisselwerking impliceert dat je als therapeut evenveel invloed hebt op het proces als de cliënt. Dit in acht genomen kun je stellen dat het onmogelijk is als therapeut niet ‘niet te sturen’. Hoeveel kennis je ook vergaard hebt, weten wanneer je moet leiden en wanneer je moet volgen, kan je pas als je goed contact maakt met de cliënt en met jezelf. Soms is het nodig om heel sturend op te treden. Soms kan je ook afgebakende instructies geven of huiswerkopdrachten. En op andere momenten ga je achteruit zitten en laat je zijn wat er is. Mogelijkheden en beperkingenDe veelheid aan kaders die IV in interactie laat komen staat garant voor een onuitputtelijke bron aan kennis en ervaring. Dit is een sterkte en zwakte tegelijkertijd, want het lijkt onbegonnen werk om je alle kaders eigen te maken. IV balanceert op de grens van weten en niet-weten en gaat ervan uit dat je veel moet weten om het ‘niet-weten’ te kunnen toelaten. Je kan niet anders dan vertrekken vanuit een waarheid en tegelijk dien je te beseffen dat het niet dé waarheid is. Het vraagt wel wat van de therapeut om door het bos de bomen te blijven zien. De kracht van de intuïtie, gevoed door een grondige vakkennis, vormt het sturend principe in het keuze maken uit de verschillende richtingen. Intuïtie wordt geboren waar denken, voelen en doen op elkaar afgestemd geraken. Vandaar is het een conditio sine qua non dat je als therapeut voortdurend werkt aan je eigen driehoek. Intuïtie is werkzaam als je eigen driehoek gaat draaien. De plaats waar je deze vierjarige therapeutenopleiding kan volgen is de Educatieve Academie in Berchem. Meer info vind je op hun website.
|
|
|
|
|
Het is de opzet van IV om verschillende waarheden naast elkaar te laten bestaan en deze met elkaar in interactie te laten komen. Opdat deze interactie niet in complete chaos zou eindigen, wat het gevaar is van een doorgedreven fenomenologie, biedt IV houvast aan de hand van een eenvoudig interactieschema. Het is geënt op de functies die je terugvindt in het theater: regisseur, publiek en acteur.